Omstreeks half 3 sjeezden we over de snelweg in het oude vertrouwde peugeotje, ter hoogte van afrit 24, toen ons ma plots zei: “Als ge hier rechs kijkt dan ziet ge de basiliek van Scherpenheuvel liggen, zouden we daar ni eens langsgaan?”. Normaliter negeerden we het bordje ‘Scherpenheuvel-Zichem’ altijd en reden we verder naar Leuven, maar deze keer nam ik dus voor de eerste keer de afrit wel.
Niet veel later legde ik de motor stil op de parking net voor de basiliek. Niet echt een plek waar men mij vaak verwacht te treffen, zo een bedevaartsoord. Ik kan niet zeggen dat ik vroom katholiek ben opgevoed, maar mijn ouders stammen nog uit den oude tijd, toen meneer pastoor nog toekeek op de zeden in het dorp, en je nog naar de hel ging als je je bord met spruiten niet opat. Ik heb dus wel wat ballast meegekregen. Een beetje. Maar niet van die aard dat ik spontaan begin te bidden bij het binnenkomen van een kerk, zoals ons ma nu deed.
Bij een kerk denk ik meteen aan een groots betonnen gebouw, versierd met de obligate glas-in-lood raampjes en marmeren zuilen. Een gebouw dat rust en mystiek uitademt. Zo ook deze basiliek, uiterlijk groter ogend dan ze in werkelijkheid eigenlijk was. Vanbinnen was er niet eens plaats om kaarsen te branden, toch wel zo ongeveer de hoofdreden van ons bezoek. Waarschijnlijk moet een kloeke priester dit ook ooit bedacht hebben, en daarom stonden er nu 2 kleine schuurtjes rond de kerk, die volgepropt waren met brandende kaarsjes. We namen 2 noveenkaarsen en staken ze zusterlijk langs elkaar aan, alvorens terug naar de auto te keren, waar ik de radio prompt afstemde op de Tijdloze. Da’s dan mijn vorm van religie.
Eenmaal aangekomen in Leuven was het onrustig afwachten tot de klok van 7, want dan kon ik op bezoek gaan bij AS, die sinds de vorige dag terug wakker was. Drie weken in slaap, het is moeilijk te vatten. Samen met KS reed ik richting gasthuisberg, maar we waren net te laat voor het bezoekuur. Balen. Gelukkig was de verpleegster aan de balie zo vriendelijk om even de ouders van het meisje te gaan consulteren. Het volgende moment kwam een stralende papa ons tegemoet gewandeld met zijn duim in de hoogte. “Het is lang geleden dat ik die mens nog echt zo heb zien glunderen”, dacht ik bij mezelf .”Kom maar mee!”, zei hij opgewekt.
Toen we binnenkwamen sliep ons slaapkopje net weer even, maar de papa kon het niet laten haar te wekken. Ze keek even verward rond met haar blauwe oogjes, die we al weken niet hadden gezien. Een moment later herkende ze mij en ook al had ze totaal geen kracht, toch sleurde ze haar armen de lucht in om mij te knuffelen, waarop haar kamer al vlug in rep en roer stond door een hyperactieve mama die opgewonden naar haar camera zocht, om de eerste knuffel van haar dochter na haar ontwaken op de gevoelige plaat vast te leggen. Die ouders toch
.
Maar het deed deugd om haar zo te zien. Ik verliet het ziekenhuis met een goed gevoel en bij het betreden van de parking bedacht ik mij nog net: “Als 1 noveenkaars al zo hard helpt, moet ik misschien dan eens die hele schuur in brand gaan steken…”
Recente reacties